skip to Main Content

Rechtsherstel conform arrest Hoge Raad

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft in een procedure over aanslagen IB het belastbare inkomen uit sparen en beleggen over de jaren 2017 tot en met 2020 verlaagd. De procedure had ook betrekking op de jaren 2014 tot en met 2016. Het beroep over die jaren heeft de rechtbank ongegrond verklaard. Wel heeft de belanghebbende recht op dwangsommen en op een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Voor de jaren 2014 tot en met 2016 baseerde de rechtbank haar oordeel op een arrest van de Hoge Raad van 2 juli 2021.

Voor de jaren vanaf 2017 dient de rechter wel gevolgen te verbinden aan de schending van het eigendomsrecht. Dat volgt uit het arrest van de Hoge Raad van 24 december 2021. De Hoge Raad heeft in dat arrest rechtsherstel geboden door alleen het werkelijk behaalde rendement in de heffing te betrekken. De belanghebbende in deze zaak heeft ter zitting gezegd geen beroep te doen op het besluit rechtsherstel box 3 van de staatssecretaris. De rechtbank heeft bepaald dat alleen het werkelijke rendement in de heffing mag worden betrokken.

De belanghebbende heeft voor de jaren 2017 tot en met 2019 verzocht om toekenning van dwangsommen omdat de inspecteur te laat op zijn bezwaren heeft beslist. Volgens de rechtbank heeft de belanghebbende voor 2018 en 2019 recht op een dwangsom, maar voor 2017 niet. Ten aanzien van het jaar 2017 heeft de belanghebbende de inspecteur onredelijk laat in gebreke gesteld.

Ten aanzien van de vergoeding van immateriële schade wegens de lange duur van de procedures is de rechtbank van oordeel dat de beroepen over de jaren 2014 tot en met 2016 samenhangende zaken zijn en dat de beroepen over de jaren 2017 tot en met 2020 samenhangende zaken zijn. In dat geval dient eenmaal het tarief van € 500 per half jaar gehanteerd te worden. Aangezien de belanghebbende gezamenlijk procedeert met zijn partner en bij de partner dezelfde geschilpunten aan de orde zijn, hanteerde de rechtbank het tarief van € 500 per half jaar voor de belanghebbende en zijn partner samen.

Bron: Rechtbank Zeeland-West-Brabant | jurisprudentie | ECLINLRBZWB20227919, 20/6194 tot en met 20/6196, 21/821 tot en met 21/824, 21/3783 en 21/5287 | 21-12-2022